#Boekfragment: KM 41 - De drinkpost

Vlak voordat we het park uitlopen zie ik de laatste drinkpost. Dit is er eentje zonder eten, maar dat vind ik niet erg. Alleen de gedachte aan eten maakt me al misselijk. Ik zit vol, heb genoeg repen, bananen en suikergelletjes gegeten. Mijn maag staat strak. Bovendien zou ik op dit moment, in deze staat, niet weten waar ik de coördinatie vandaan zou moeten halen om met beleid te eten. Dat zou me echt veel te veel moeite kosten. Die laatste paar kilometer wil ik zo min mogelijk externe afleiding.


Helaas merk ik toch dat ik wel sportdrank en water wil. Waar ik tot nu toe het water altijd heb gebruikt om te drinken na mijn bekertje sportdrank, wil ik het nu over mijn hoofd gooien. En daarna wil ik nog een spons. Water over mijn hoofd gooien kost minder moeite dan het op te drinken en ik voel dat mijn hoofd gloeit in de zon. Het zal werken als een fysieke verfrissing die mentaal hopelijk ook weer een beetje lucht geeft. Het probleem is alleen dat het hier nog best druk is en ik doorlopen een stuk belangrijker vind dan het bemachtigen van een bekertje drank. Aan het begin van de post is het druk. Hier een bekertje proberen aan te pakken heeft geen nut, dus ik loop er snel omheen. Ik zie een klein gaatje ontstaan achter het eerste groepje, waar ik verrassend behendig inspring, zodat ik een bekertje sportdrank weet te bemachtigen.


Oké, de eerste stap is gezet. De slok sportdrank heb ik genomen. Nu doorpakken. Achteraan de drinkpost zie ik een man klaarstaan met een bekertje water in zijn hand. Die is voor mij, geen twijfel mogelijk. Het enige dat mij nog van dat bekertje water kan weerhouden is een vrouw die een paar meter voor me loopt. Ik denk te zien dat zij het op hetzelfde bekertje water heeft gemunt, maar ze loopt een stuk langzamer dan ik. Wat zij hier op dit slakkentempo doet is mij een raadsel, want als ze dit tempo de hele marathon al loopt, dan stond ze vanochtend in het verkeerde vak. Maar fuck haar. Water pakken en doorlopen, dat is waar het nu om gaat. Misschien kan ik haar nog wel inhalen, zodat ik eerder bij de man ben en hij mij het bekertje zal geven. Ik zoek oogcontact met hem.


Ik zie dat hij zowel mij als de vrouw waar ik achter loop ziet. Op dit moment besef ik dat ik te laat ben om de vrouw in te halen, maar dat blijkt niet uit te maken. Ik zie hem namelijk de bewuste keuze maken om de vrouw te negeren. Hij zet een stap opzij, zodat hij de ruimte heeft om mij het bekertje te geven. Hij moet de wanhoop in mijn ogen gezien hebben, dat kan haast niet anders. Hij moet gezien hebben hoe hard ik dit nodig heb. Wat een held. In mijn herinnering gaf hij me nog een bemoedigend knikje met zijn hoofd, maar het kan zijn dat ik me dat maar heb verbeeld of dat ik dit moment in mijn gedachten heb geromantiseerd.


Ik kan wel janken. Het feit dat ik door kan lopen in het tempo waarop ik aan kwam lopen, het feit dat de man ervoor koos om mij te helpen in plaats van die slome vrouw, het koude water over mijn bezwete voorhoofd, het zoute zweet dat ik uit mijn ogen kon spoelen: in een split-second zat alles even mee. Er was weer een horde genomen. Zoals ik vandaag al zoveel hordes heb genomen. En het aantal hordes dat mij nog resteert neemt langzaam maar zeker af. Ik ben er bijna.