#Wedstrijdverslag: De halve van Amsterdam

Eindelijk is het zover. Mijn eerste echte fitheidstest. Nadat ik in Azië helaas uiteindelijk geen een wedstrijd heb gelopen, besef ik dat dit pas mijn eerste wedstrijd is sinds mijn hele marathon van Amsterdam in 2017. En ik heb er zin in.


Helaas is mijn voorbereiding dus niet helemaal vlekkeloos verlopen, omdat ik eerst weer last kreeg van mijn oude liesblessure en daar vervolgens een herfstgriepje overheen kwam. Gisteravond lag ik nog hoestend in bed, maar ik heb toch lekker kunnen slapen en ik denk dat ik net op tijd voldoende hersteld ben om vandaag lekker te kunnen lopen.


Het doel voor vandaag is om net onder de 1:30 te duiken. In de praktijk betekent dit dat ik gemiddeld 4:15 min/km wil lopen, wat uitkomt op een eindtijd van 1:29:39. Mocht ik dit tempo niet volhouden, dan heb ik met mezelf afgesproken dat ik niet ga forceren en dat ik terugschakel naar een trainingstempo van ongeveer 5:00 min/km. Als ik uiteindelijk tien kilometer op snelheid loop en de rest in trainingstempo, dan heb ik van tevoren al bepaald dat ik daar genoegen mee neem. Al hoop ik natuurlijk dat het niet zover zal komen.


Het doel voor vandaag is om net onder de 1:30 te duiken

Uiteindelijk sta ik een kwartier voor de start in het startvak, waar een gigantische rij voor de toiletten staat. Ik besluit, ondanks dat ik nog niet hoef, om er maar vast in te gaan staan, want ik weet zeker dat ik nog een keer wil plassen voor de start. En als ik nu niet in de rij ga staan, dan gaat het krap worden om überhaupt nog te kunnen voordat het startschot klinkt. En ik word ook niet echt vrolijk van al die mensen die in het startvak als vissen in een vissenkom rondjes zie huppelen, dus het biedt me ook de nodige afleiding daarvan.


Uiteindelijk ben ik vijf minuten voor de start aan de beurt en nadat ik mijn plasje heb gedaan, kruip ik naar voren, zodat ik na de start direct een rustig plekje in het deelnemersveld kan opzoeken. Het lukt en ik ben blij dat we onderweg zijn. Van tevoren ben ik altijd redelijk gespannen en dat kost allemaal energie. Vanaf het moment dat het startschot klinkt valt alle spanning van me af en ga ik gewoon doen wat ik leuk vind: hardlopen.


Vanaf het moment dat het startschot klinkt valt alle spanning van me af en ga ik gewoon doen wat ik leuk vind: hardlopen

De eerste kilometer is altijd aftasten. Hoe voelen mijn benen? Kan ik de drukte ontwijken? Zit mijn hartslagmeter lekker? Ben ik warm genoeg? Gelukkig ben ik over alle variabelen tevreden. Ik heb direct al de neiging om te hard te gaan en dat is een goed teken. Zo kom ik de eerste kilometers op het geplande tempo goed door, zonder veel energie te gebruiken.


Als de eerste drinkpost nadert, ben ik van plan om zoveel mogelijk te pakken. Het lukt. Ik begin met een slok sportdrank, waarna ik direct een bekertje water pak, dat ik niet direct leegdrink. Na het water pak ik namelijk een gelletje, dat ik direct in mijn mond uitknijp. Het water gebruik ik om de vieze smaak uit mijn mond te spoelen en als toetje knijp ik nog een natte spons uit in mijn nek. Dit kon simpelweg niet beter gaan, ik ben weer klaar voor de komende vijf kilometer.


Direct na de drinkpost zie ik dat er iemand naast me is komen lopen. Of ik ben naast hem komen lopen, dat kan natuurlijk ook. We lopen in ieder geval dichtbij elkaar, op hetzelfde tempo. Zo subtiel mogelijk bekijk ik vanuit mijn ooghoeken hoe hij eruit ziet. Kort haar, baardje, petje op met de klep naar voren en ik schat hem tussen de dertig en vijfendertig.


Zou hij nu hetzelfde bij mij doen? Zal ik hem aanspreken? Ik besluit om het nog even te laten voor wat het is. Tijdens het lopen ben ik geen prater en wellicht zit hij helemaal niet te wachten op contact met mij. En bovendien zit de kans er dik in dat we elkaar zo meteen uit het oog verliezen. Als we over een kilometer nog zo gebroederlijk naast elkaar lopen, zien we wel weer verder.


En ja hoor, na zes kilometer lopen we nog steeds gebroederlijk naast elkaar. Ik besluit om een gesprekje aan te knopen, zodat ik kan pijlen wat zijn plannen zijn en of die overeenkomen met die van mij.


‘Yo man, wil jij op dit tempo blijven lopen?’ - ‘Ja, ongeveer wel, en dan net onder de 1:30 uitkomen.’ ‘Dat is ook precies mijn plan, het liefst constant op 4:15 min/km. lijkt het je wat om bij elkaar te blijven?’ - ‘Ja is goed, slepen we elkaar naar 1:29 en dan allebei tevreden weer naar huis.’ ‘Klinkt als een goed plan.’


En dat was dat. Daarna werd het weer stil. Geen idee hoe hij heet, of waar hij vandaan komt, maar dat maakt ook niet uit. Het voelt prettig om samen te lopen.


Geen idee hoe hij heet, of waar hij vandaan komt, maar dat maakt ook niet uit

Toch besef ik al snel dat er ook risico’s vastzitten aan deze samenwerking. Allereerst is het nu verleidelijker om door te lopen op dit tempo, terwijl het misschien wel beter is om qua tempo terug te schakelen. Een reëel risico, aangezien ik er nog lang niet zeker van ben dat ik ook daadwerkelijk 1:30 (of eigenlijk 1:29:59) ga lopen.


Andersom moet ikzelf natuurlijk ook egoïstisch zijn. Het blijft mijn race en ik wil me niet teveel aan deze man hechten. Als ik merk dat hij het tempo niet aankan, moet ik hard genoeg zijn om hem te verlaten en mijn geluk elders te beproeven. Maar voorlopig is er bij mij nog geen vuiltje aan de lucht en voor zover ik het kan inschatten, bij hem ook niet.


Ik twijfel of ik mijn kilometertijden met hem moet delen en uiteindelijk besluit ik dat ik ze alleen bij uitschieters meld. Mijn achtste kilometer ging in 4:19 en dat is eigenlijk iets te langzaam. Ik stel voor om er in ieder geval voor te zorgen dat er geen enkele kilometertijd boven de 4:20 komt, waar hij het gelukkig mee eens is.


Zo komen we langzaam maar zeker bij de tweede drinkpost, dat zich vlak voor het tien kilometerpunt bevindt. Mijn maag heeft niet heel lekker gereageerd op het gelletje van de eerste drinkpost, maar toch vind ik van mezelf dat ik weer wat moet eten. En dus pak ik, nadat ik een bekertje drinken te pakken had, weer een gelletje. De banaan laat ik voor wat het is. Daar heb ik helemaal geen zin in.


De volgende paar honderd meter loop ik met het gelletje in mijn hand, waarna ik het, zonder te gebruiken, toch weggooi. Mijn maag voelt niet echt goed, terwijl ik verder qua energie prima in de wedstrijd zit. Ik besluit dat dit een valide reden is om niets tegen mijn zin in te doen en om zonder te eten door te lopen.


4 minuten x 10 kilometer = 40 minuten 15 seconden x 10 kilometer = 150 seconden = 2,5 minuut


Dit is de rekensom die ik in mijn hoofd maak en die mij vertelt dat het de bedoeling is dat onze tussentijd na tien kilometer in ieder geval niet langzamer is dan 42:30 minuten. Uiteindelijk komen we door op 42:16 minuten. Veertien seconden voor op schema. Ik voel me goed en mijn vriend op links meldt me dat hij zojuist een nieuw PR op de tien kilometer heeft gelopen. Top! Hopelijk kan hij er direct nog een achteraan lopen.


Voor wat betreft mijn eigen race besluit ik dat mijn lichaam er vooralsnog goed voorstaat en dat er op dit moment geen enkele reden is om mijn tempo naar beneden aan te passen.

We lopen inmiddels door Amsterdam-Oost en als we langs park Frankendael richting de Middenweg lopen zie ik dat mijn vader zijn inmiddels vaste plek heeft gevonden om me aan te moedigen. Bij mijn twee hele marathons en bij mijn vorige halve marathon in Amsterdam stond hij hier ook.


Hij ziet er ontspannen uit, waarschijnlijk omdat hij al via de app heeft gezien dat ik nog steeds lekker ga. Van tevoren heb ik mijn strijdplan met hem gedeeld, zodat hij ook niet hoeft te schrikken als ik ineens onverhoopt een stuk langzamer ga dan ik nu ga.


Ik zie hem al van een afstand, steek mijn hand op, hij steekt een vragende duim op, ik steek een bevestigende duim op en een paar seconden later is de interactie alweer voorbij.


En zo rijgen we de kilometers nog steeds redelijk soepel aan elkaar en inmiddels geven we elke kilometer onze eigen kilometertijden aan elkaar door. Hoe dat zo is gekomen weet ik niet, maar ik vind het prettig en hij volgens mij ook. Mijn horloge trilt steeds iets eerder dan dat van hem, waardoor ik de conversatie steeds begon:


’16.’ - ‘Ok, lekker.’


En honderd meter verder hadden we vervolgens hetzelfde gesprek, maar dan omgekeerd:


- ’17.’ ‘Top.’


Als we vanaf de Molukkenstraat linksaf slaan, naar de Zeeburgerdijk, en we gevoelsmatig de terugweg naar het Olympisch Stadion inzetten, voelt mijn lichaam nog steeds goed. Inmiddels is het woord ‘eindsprint’ al voorzichtig in me opgekomen, maar daar is het sowieso nog te vroeg voor. Eerst maar eens de komende kilometers goed doorkomen.


Bij het Tropenmuseum staat mijn vader weer. Hemelsbreed is dit namelijk maar ongeveer een kilometer vanaf het vorige punt waar hij stond, terwijl het parcours er zo’n vijf kilometer over doet om hier te komen. Hij ziet er nog steeds ontspannen uit, moedigt me aan en ik zwaai terug.

Een mooie test of je er nog goed voorstaat is de tunnel onder de Wibautstraat en direct daaropvolgend de brug over de Amstel. Een verdieping omlaag, twee verdiepingen omhoog en dan weer een verdieping omlaag. Vanaf dat punt is het nog zo’n vijf kilometer, zonder noemenswaardige hoogteverschillen.


Ik weet uit ervaring dat deze vijf kilometer nog heel lang kunnen aanvoelen als je niet slaagt. Slaag je wel, dan is dit een mooi punt om te denken aan een eindsprint.


Ik slaag. Mijn vriend naast me slaagt ook, maar niet heel overtuigend. Ik zie en hoor aan hem dat hij het zwaar begint te krijgen, maar hij geeft het nog niet openlijk toe als ik hem ernaar vraag. Maar voor nu is er nog geen probleem, want ons tempo is nog steeds prima.


Zelf begin ik het ook redelijk zwaar te krijgen, en ik had mezelf van tevoren beloofd dat ik niet zou forceren, dus die eindsprint laat ik voor wat het is. Gewoon op dit tempo doorlopen en net onder de 1:30 uur finishen, dat is en blijft het doel.


Als we even later het Vondelpark inlopen voel ik dat we op een minder hoog tempo lopen dan de bedoeling is. Precies op het punt dat mijn compagnon een kreun van vermoeidheid uitslaat, kijk ik op mijn horloge, dat mijn vermoeden voor wat betreft het tempo bevestigt.


Gelukkig hoef ik het zelf niet met hem uit te maken, want uit zichzelf zegt hij al dat ik maar in mijn eentje moet verdergaan. Ik besluit om dit direct ter harte te nemen en zonder nog om te kijken wens ik hem succes en meld ik hem nog dat ik hem bij de finish zal opwachten.


Het tempo waar ik vervolgens op loop voelt als een eindsprint, maar mijn rondetijden tonen aan dat dit niet zo is: de tijden blijven rond de 4:15 min/km schommelen. Dit betekent dat we hiervoor inderdaad iets te langzaam hebben gelopen en dat het nu wel echt wat zwaarder wordt, maar dat maakt me niet zoveel uit. Ik ga relatief ongeschonden uit de race komen en ga ongeveer eindigen in de tijd die ik voor ogen had. Heerlijk!


In het Vondelpark staan mijn vrienden op de plek waar ze twee jaar geleden bij de hele marathon ook stonden. Dit keer rennen ze, in tegenstelling tot twee jaar geleden, niet mee, maar enthousiast zijn ze wel. Ik hoor ze me al van een afstand toejuichen en achteraf zouden ze tot mijn genoegen zeggen dat ik er ontspannen uitzag. Het is altijd lekker om de bevestiging te krijgen dat je er fysiek nog goed bijhangt aan het einde van een race.


En zo komt er een einde aan mijn eerste echte test. Vondelpark uit, linksaf de Amstelveenseweg op, Haarlemmermeerstation rechtdoor, rechts-links-rechts, Olympisch Stadion in, halve ronde op de baan, finish.


Uiteindelijk finish ik in 1:30:16. Een minuut later finisht mijn vriend ook, waarna we elkaar de hand schudden en elkaar bedanken voor de steun. Al snel nemen we afscheid van elkaar, waarna ik moe maar voldaan mijn fiets opzoek. Nog even napraten met mijn vader, die inmiddels op zijn vouwfiets naar het stadion is gekomen en daarna lekker naar huis. Wat rest is douchen, patat halen en dan lekker de beentjes omhoog.

Recente blogposts

Alles weergeven

Boekfragment 'Van Colombo tot corona': Thailand!

Veel tijd om te treuren om ons vertrek van Bali hadden we niet, want het volgende avontuur stond alweer voor de deur: Thailand. Chiang Mai, om precies te zijn. Ook hier zouden we voor langere tijd ‘wo

#Boekfragment: KM 21 - De stilte

Nadat ik de drinkpost ben gepasseerd valt me direct op dat er aan deze kant van de brug niet meer wordt gepraat. Of, beter gezegd, er wordt niet meer gekletst. Dat was een paar kilometer geleden wel a