Job Pennekamp
Hoofdstuk 1
​
De afgelopen jaren zijn er veel mensen geweest die me hebben gevraagd hoe het toen toch zo mis heeft kunnen gaan. Tot op de dag van vandaag heb ik altijd moeite gehad met het beantwoorden van die vraag, omdat ik het simpelweg niet weet. En waarschijnlijk zal ik er ook nooit achter komen.
Was het de onverwachts warme zon? Het gebrek aan een goede nachtrust, omdat ik de avond van tevoren extreem zenuwachtig was? Te weinig lange duurlopen gelopen? Niet genoeg intervaltraining? Ik weet het niet. Ik weet sowieso heel weinig meer van die laatste paar minuten voordat het misging. Wat er precies is gebeurd weet ik dus niet, maar ik weet wel dat ik in het Vondelpark wakker werd tegen een boom. Op kilometer negenendertig.
In mijn eerste herinnering zie ik een vrouw voor me die me steeds tegen mijn wang sloeg om me bij bewustzijn te houden. Ik weet nog dat er een man was die een paar toeschouwers op afstand hield, en een klein jongetje dat aan zijn moeder vroeg wat er aan de hand was en of het wel goed zou komen met mij.
Achteraf is me verteld dat ik twee keer buiten bewustzijn ben geweest. De eerste keer was toen ik tijdens het lopen simpelweg in elkaar zakte. De tweede keer was toen ik overeind werd geholpen door het publiek om me naar de zijkant te brengen, maar ik me van hen los probeerde te maken. Het schijnt zelfs dat ik iets over mijn schema en mijn eindtijd heb geroepen, met als onderliggende boodschap dat ze van me af moesten blijven. Ik wilde doorlopen, terwijl ik daar op de grond lag, maar daar weet ik dus allemaal niets meer van.
Ik kan me nog herinneren dat ik het Vondelpark inliep en dat ik een toeschouwer tegen zijn buurman hoorde zeggen dat ‘die lange er niet goed uit zag’. Vanaf dat moment weet ik vrijwel niets meer.In het eerstvolgende moment dat ik me voor de geest kan halen zit ik dus tegen een boom, een kleine kilometer na de ingang van het Vondelpark. Een hele kilometer is zo goed als helemaal uit mijn geheugen verdwenen. Van de momenten die daarop volgden weet ik nog dat de vrouw die gehurkt bij me zat haar zoon riep, en hem vertelde dat hij zijn blikje cola bij haar moest inleveren. Volgens haar zou ik suiker nodig hebben. Hierop zei een andere toeschouwer dat koolzuur juist averechts werkt en dat ze niets moest doen, behalve wachten op professionele hulp. Zij had inmiddels 112 gebeld. Ik heb geen idee of ik uiteindelijk een slokje van die cola heb gehad of niet.
Steeds als het erop leek dat ik weer bewusteloos zou raken, tikte de vrouw tegen mijn wang met de boodschap dat ik me moest concentreren op haar woorden. Ze stelde me gerust. Ik was nu veilig en zij zou bij me blijven zolang het nodig was. Ondertussen haalde ze mijn startnummer van mijn borst, waarna ze mijn ouders belde dat ze zo snel mogelijk naar het park moesten komen.
Hoe lang het duurde voordat iemand van het Rode Kruis kwam weet ik niet. Maar uiteindelijk kwam er iemand, op de fiets. Het was een jongen van een jaar of dertig. Volgens mij heette hij Mitchell. Hij kwam naast me zitten en begon direct met peilen hoe ik eraan toe was. Hij vertelde me dat hij me opdrachten ging geven. Zijn eerste opdracht voor mij was hem vertellen hoeveel vingers hij opstak. Ik knikte. Vervolgens registreerde ik dat het er drie waren, maar toen ik hem dat wilde zeggen, kwam er geen antwoord, maar slechts wat onverstaanbaar gemompel uit mijn mond. Praten bleek er op dat moment nog niet in te zitten.
Ik weet ook niet meer precies hoe lang Mitchell uiteindelijk bij me heeft gezeten, maar het moet minstens een half uur geweest zijn. Later, toen ik me iets beter voelde, vertelde hij me dat het zo lang duurde, omdat alle ambulances bij het Olympisch Stadion stonden en vanwege het vele publiek moeilijk het Vondelpark in konden komen. Alle wegen naar het stadion waren natuurlijk afgesloten, waardoor ze moesten omrijden.
Een paar weken later kreeg ik van de organisatie van de marathon een mail waarin mij werd gevraagd hoe ik de hulpverlening van die dag had ervaren. Ik kon het toch niet laten om even te zeggen dat ik het onbegrijpelijk vind dat je als organisatie niet anticipeert op uitvallers in de laatste vijf kilometer. Je bedenkt toch van tevoren wel dat het handig is om ambulances op verschillende plekken langs het parcours neer te zetten? Ik vind het bizar dat alle ambulances op één plek stonden en dan ook nog eens op een plek waar de weg naar het laatste deel van het parcours is afgesloten. Terwijl je weet dat daar de meeste mensen zullen uitvallen.
Maar gelukkig hielp Mitchell me enorm goed. De volgende stap was het voeren van stukjes suikertablet. Na elk stukje gaf hij me eerst een slokje sportdrank en daarna een slokje water. Ik protesteerde, want ik was behoorlijk misselijk, maar daar had hij geen boodschap aan. Ik moest hem vertrouwen.
Hij had gelijk, het hielp. Een paar minuten later kon ik hem vertellen hoeveel vingers hij opstak. Progressie! En enkele minuten daarna kon ik hem zelfs vertellen welke datum het was. En ondertussen bleef Mitchell praten. Hij praatte en hij praatte, het leek wel alsof hij niet kon ophouden met praten. Maar al mijn aandacht was bij hem. Ik vond hem irritant, maar hoe langer hij bleef praten en hoe meer vocht en suiker hij me voerde, hoe beter ik me ging voelen. En hoe beter ik me ging voelen, hoe aardiger ik hem begon te vinden.
Ergens in dat half uur kwamen mijn ouders aan. Van mijn vader herinner ik me weinig, of eigenlijk vrijwel niets. Ik heb het hem nooit gevraagd, maar het zou me niets verbazen als hij de hele tijd op gepaste afstand heeft gestaan. Ik weet namelijk nog wel dat ik toen heel goed besefte dat hij er was. Ik heb alleen geen flauw idee waar hij stond, of hij iets heeft gezegd en wat zijn rol in het geheel precies geweest is. Maar als ik moet gokken is dat geen toeval. Ik denk namelijk dat hij heel bewust dichtbij genoeg was om me te laten voelen dat hij er voor me was, maar ver genoeg om Mitchell en mijn moeder de ruimte te geven om me te verzorgen. Een enkele blik of een hele lichte aanraking van zijn hand op mijn schouder is dan genoeg om zijn onvoorwaardelijke steun te uiten.
Mocht de aanname over mijn vader kloppen, dan kon het contrast met hoe mijn moeder deze situatie aanpakte niet groter zijn. In tegenstelling tot mijn vader kan ik me haar namelijk heel goed herinneren: haar tranen, haar overslaande stem, de vele vragen die ze aan Mitchell stelde en een telefoongesprek met mijn broer zijn hier slechts enkele voorbeelden van.
Ze kwam naast me zitten, aan mijn linkerkant. Mitchell zat rechts. Steeds als Mitchell een vraag stelde om me scherp te houden, gaf zij antwoord. En steeds realiseerde zij zich, nadat ze het antwoord had gegeven, dat het Mitchell helemaal niet ging om het antwoord op de vraag.
Er is één specifieke vraag die ik me nog heel goed herinner. Mitchell vroeg me om voor te lezen van welk merk zijn fiets was, die een paar meter verderop stond. Ik deed braaf wat hij zei, en daarbovenop las ik ook gelijk het merk voor van een andere fiets, die nog een stuk verder stond. Ik mocht dan als een verloren ziel tegen een boom zitten, maar als ik op iets kan vertrouwen in het leven, dan is het wel op mijn ogen. Licht bijdehand vertelde ik hem dus beide merken, terwijl hij er maar om één had gevraagd. Ik voelde dat ik aan het herstellen was.
Toen ik eenmaal in de ambulance lag, merkte ik dat mijn herstelproces weer iets beter ging. En nadat ik, toen ik amper een minuut in het ziekenhuis was, al twee keer de vloer van de hal had ondergekotst, voelde ik me nog beter. Mijn maag stond direct veel minder strak en een groot deel van de misselijkheid verdween direct.
En daarna werd er, alsof het universum het nog even in wilde wrijven dat ik maar negenendertig van de tweeënveertig kilometer had gelopen, tweeënveertig graden koorts bij me gemeten. Ik heb daar de hele middag gelegen aan het infuus, terwijl er allerlei testen werden uitgevoerd. Aan het begin van de avond zaten er weer voldoende stoffen in mijn lichaam om normaal te functioneren, terwijl ook de koorts tot onder de veertig graden was gezakt. Ik mocht naar huis.
Toen ik me klaarmaakte om voor het eerst sinds mijn laatste marathonmeters een paar stappen te zetten (van het ziekenhuisbed naar de auto), besloot ik om eerst even te plassen. Het lukte nauwelijks. Een paar donkergele druppels, terwijl ik dus voor het laatst voor de start had geplast, zo’n tien uur daarvoor. In die tien uur heb ik zeker vier liter water en sportdrank gedronken en heb ik bovendien drie grote infuuszakken opgeslurpt. Toen besefte ik pas hoe uitgedroogd ik moet zijn geweest.
Er zijn die zondag dus verschillende testen gedaan en de conclusie was dat mijn lichaam tijdens de marathon deel voor deel aan het uitvallen was. Als ik het goed begreep, kwam het erop neer dat ik zo weinig energie meer had, dat mijn lichaam niet meer alle organen goed kon laten functioneren. Ik had gelopen voor wat ik waard was en daarbij had ik alle reserves opgemaakt. En toen die eenmaal op waren, maar ik niet stopte met lopen, ging het heel snel bergafwaarts. Hoe gevaarlijk het écht was weet ik niet, maar ik ben blij dat ik er zonder blijvende schade vanaf ben gekomen.
Ondanks dit alles ben ik altijd vastberaden gebleven om ooit een keer een marathon uit te lopen. De enige relevante vraag was wanneer dat zou gaan gebeuren.
Waar die vastberadenheid vandaan komt is me eerlijk gezegd een raadsel, maar koppigheid, ijdelheid en competitiviteit spelen ongetwijfeld een belangrijke rol. Het gaat mij namelijk niet gebeuren dat ik ooit als oude man aan mijn kleinkinderen moet vertellen dat opa een keer een marathon heeft gelopen, maar ook weer net niet.